slide1 slide2 slide3 slide4 slide5

De laatste tijd kriebelt het vaker in mij. Ik wil schrijven, alleen weet ik niet waarover. Misschien heb ik te weinig fantasie want ik betrap me erop dat ik eigenlijk alleen iets op papier wil zetten wat ook echt gebeurd is. Sterker nog, iets wat ik zelf heb meegemaakt. Uiteraard zijn er genoeg dingen in mijn leven geweest om een verhaal van te maken maar ik wil ook weer niet alles blootgeven. Het moet een leuke anekdote worden want ik ga u natuurlijk niet vervelen met problemen die ook in mijn leven weleens voorkomen. Alhoewel ik aan de andere kant bedenk, dat juist veel mensen zo’n story graag zouden lezen. Want wees nou eerlijk, een beetje smeuïg verhaal wil er altijd wel in, toch?
Helaas moet ik u teleurstellen, ik ga mijn problemen niet op papier zetten zodat u, lachend en gniffelend, mijn bericht ademloos en nieuwsgierig leest en stiekem zou hopen dat het vertelsel nog lang niet uit zou zijn. En ach, zoveel problemen heb ik nu ook weer niet. Niet meer dan een ander in ieder geval. Of het er minder zijn, weet ik niet. Wat dat betreft zitten we allemaal in hetzelfde schuitje, denk ik. Elk huisje heeft zijn kruisje. Maar nu word ik wel erg somber en lijkt het alsof ik echt in de problemen zit. Ik denk dat ik weet hoe het komt. Ik kijk naar buiten en zie boven, op de plaats van de zon, een grijze wolkenmassa. Af en toe dwarrelt een vlokje sneeuw naar beneden en er waait een gure oostenwind. Met andere woorden, het is bar koud. Zeker voor de tijd van het jaar. Pas nog vierde ik mijn verjaardag. Ik ben een lentekind maar het weer is er niet naar. We lopen nog steeds met laarzen aan onze voeten en dikke dassen omhelzen onze halzen. En niet te vergeten de winterjassen, met of zonder bontkraag. We kunnen nog niet in de tuin en aan een fietstochtje moet ik al helemaal niet denken. Afgelopen nacht mochten we de klok een uur vooruit zetten; het is eind maart en de zomertijd begint. Niks van te merken, de winter is nog steeds voelbaar aanwezig en je zou denken dat we richting Kerst gaan inplaats van naar het voorjaar. Bovendien hoeft dat gedoe met die zomer- en wintertijd voor mij niet, maar dat onderwerp zou ik weer kunnen gebruiken voor een ander verhaal dus laat ik het even zo.
Ergens las ik dat we tot half april moeten wachten eer de temperatuur wat aangenamer wordt. Alsof ze dat nu al weten! Ze kunnen nog geen dag van tevoren voorspellen hoe het weer wordt, laat staan een paar weken. Mensen voor de gek houden, noem ik dat altijd. Toch kijk ik trouw elke dag wat de weerman - of vrouw ons te vertellen heeft terwijl ik aan de andere kant niet zoveel waarde hecht aan hun prognoses. Dat klinkt wel erg tegenstrijdig allemaal vind ik zelf. Een verklaring heb ik er niet voor en eerlijk gezegd wil ik het ook niet weten. Dan zou ik er namelijk weer een probleem bij hebben!

Ze waren altijd bij elkaar. Zag je de één, zag je ook de ander, dat kon gewoon niet missen. Een onafscheidelijk paar en iedereen in ons dorp kende hen.

In de zomer droegen ze dezelfde jassen, altijd in een groene kleur en als het kouder werd trokken ze de bruine aan. Het had een tweeling kunnen zijn maar niemand weet of dat ook werkelijk zo was. Allebei hetzelfde postuur, groot en fors, voor niets en niemand bang en de blik altijd naar boven gericht. Een vertrouwd gezicht in onze buurt en ver daarbuiten. Als er storm op komst was, zwaaiden ze driftig met hun armen maar niemand die daarop lette. Het hoorde er gewoon bij.

Als kind al wist ik van hun bestaan dus moesten ze wel heel oud zijn, dat kon niet anders. Je zou bijna denken dat ze onsterfelijk waren, maar niets is onvergankelijk, dus dat gold ook voor deze twee.

Toch merkten we geleidelijk aan verandering in hun doen en laten. De groene jas werd, ook in de zomer, verruild voor de bruine, terwijl ze zich, ruim voor de herfstperiode, ontkleedden. Er was duidelijk iets mis met de twee oudjes.

Op een dag is de ene, letterlijk en figuurlijk geveld. Hij was ziek en niet meer te genezen. Men heeft nog geprobeerd hem te redden maar het ging niet meer en dus moest hij sterven.

De ander moet nu alleen verder. Ook hij takelt behoorlijk af. De armen hangen vaak slapjes naar beneden en hij lijkt triest. De ouderdom speelt hem parten en wellicht mist hij zijn maatje.

Het is, volgens mij, slechts een kwestie van tijd hoe lang hij nog zal leven… de oude beukenboom.

Gedurende enkele jaren bracht je me elke dag naar m’n werk, vier dagen per week. Als ik uit kantoor kwam, stond je altijd geduldig op me te wachten ongeacht kou of regen. Ik kon niet zonder jou en ik was dolgelukkig dat ik je had. Bijna overal waar ik was, was jij. Je was klein van stuk, nog niet echt oud maar ook niet meer erg jong. Nooit sputterde je tegen en zonder morren gingen we samen op pad. We hoorden bij elkaar en ik hoopte dat dit eeuwig zou duren.

Helaas mocht het niet zo zijn. Na drie jaar moest ik je wegbrengen. Ik vond het vreselijk maar het was noodzakelijk. Ik moest je achterlaten bij vreemde mensen, iets wat ik eigenlijk niet wilde maar ik had geen andere keus. Ik heb niets meer tegen je gezegd, maar met tranen in mijn ogen heb ik naar je gekeken tot ik je niet meer zag.

Voortaan moest ik genoegen nemen met je grote broer, die ook al een hele tijd bij ons was.

Eén keer heb ik je nog gezien, geheel onverwacht. Je moest voor me stoppen en m’n hart maakte een sprongetje. Maar je reed daarna, zonder blikken of blozen, als een stoere bink aan me voorbij. Je was in gezelschap van een andere dame die ik nooit eerder had gezien.

Ook toen heb ik je nagekeken maar ik denk niet dat jij daar iets van hebt gemerkt.

Ik hoop dat er goed voor je wordt gezorgd en dat je ook je nieuwe eigenaar zal begeleiden zoals je dat met mij deed. Natuurlijk hoop ik je stiekem nog een keer te ontmoeten en even aan te raken maar ik denk dat die kans klein is.

Ik wens je daarom een lang en goed leven en ik hoop dat het nog een hele tijd zal duren totdat je voorgoed op het autokerkhof terecht komt.

Ik leerde haar kennen in januari 2010. Ik zie haar nog staan. Een kleine vrouw met een hoofddoek, een lange rok, een trui en een spijkerjasje. Ik zag streepjes, bloemetjes en ruiten. Dat was het eerste wat me aan haar opviel. Die combinatie van dessins en kleuren die totaal niet bij elkaar pasten.

Het tweede wat ik zag was haar hartelijkheid. Ze gaf me een hand en vroeg hoe het met me ging. Als ze lachte zag je haar sneeuwwitte tanden waar menig Nederlander jaloers op zou zijn. Dat hartelijke deed iets met me. Want stel je voor: je bent nomade en analfabeet en dan vertrek je noodgedwongen naar Europa vanwege de oorlog in je land, weg van je familie en vrienden. Hoe kun je dan zo vriendelijk en blij zijn? Ik denk dat ik het niet zou kunnen, dat geef ik eerlijk toe.
Ze woonde sinds kort in een rijtjeshuis in een dorp ergens in Zeeland. Ze ging naar school om in te burgeren en ik zou haar taalcoach worden.
Terwijl ik dit schrijf ben ik ruim een jaar met haar bezig. Qua taal gaat het wat moeizaam, maar ze is vreselijk gedreven. Ze loopt vooruit op haar inburgeringsexamen wat ze eens moet afleggen. Ze zit 7 dagen per week met haar neus in de boeken of leert via de computer. Ze vraagt me dingen over de 2e Kamer, Anne Frank en weet ik wat nog meer. Kennis van de Nederlandse Samenleving noemt ze dat, want dat leert ze op school. Dit soort dingen weet ze allemaal. Beter dan ik zelfs, ook dat geef ik toe. Ze vindt het raar dat je in Nederland een afspraak moet afzeggen, als je verhinderd bent. Maar ze houdt zich er wel aan. Ze huilt als het sneeuwt of koud is. Haar dunne zomerrokken zijn niet gemaakt voor onze winters.
We lachen veel als ik bij haar ben, we drinken thee van zwarte peper of kruidnagelen die ze zelf kneust met een hamer. Ze loopt op blote voeten en ze is zo chaotisch als het maar zijn kan.
Ik noem haar in gedachten “mijn meisje” want ik heb haar in mijn hart gesloten. Ze is zo lief! Het leukste is nog als ze tegen me zegt: “ik lief op jou”.
Onze taal is niet haar sterkste kant maar er zit zoveel meer in haar. Ze leert veel dingen uit het hoofd en noemt met gemak alle provincies met hoofdsteden op. Ze vertelt over het land waar ze vandaan komt. Over de cultuur en de gebruiken. Ik denk dat ik er nooit zou kunnen wennen. In haar land dragen de vrouwen hoofddoeken en mogen ze die alleen binnenshuis afdoen. Zodra er een man binnenkomt die niet de echtgenoot is, zijn ze verplicht de hoofddoek weer om te doen. Een “vreemde” man mag nooit haar haren zien en in de wijde gewaden die ze draagt kan men geen contouren zien van billen, borsten of wat dan ook. En dat is nu juist de bedoeling. Alles moet bedekt zijn. Ze bidt 5 keer per dag, de eerste keer ’s morgens vroeg, als in Nederland iedereen nog slaapt.


Ze eet met haar handen (de rechter wel te verstaan) De linkerhand is onrein, want daarmee maak je je billen schoon als je op het toilet geweest bent. Bestek wordt zelden gebruikt. Je vormt gewoon het brood of de rijst met je handen tot balletjes en stopt het in je mond. Heerlijk vindt ze het! Varkensvlees en alcohol is verboden en daar is ze erg streng in. Kamelenvlees is haar favoriet, maar in Nederland kan ze het niet kopen. Van kamelenmelk word je sterk zegt ze, maar ook dat is hier niet te koop. Ze poetst haar tanden met een uitgerafeld takje, een ritueel uit haar land. Zoals de meeste vrouwen daar, is ze besneden. Ze heeft het me allemaal verteld en ik ben blij met haar verhalen. Ooit wil ze trouwen, maar niet met een Nederlandse man. Ze wil een man uit haar land die niet rookt, geen alcohol drinkt en niet meer vrouwen heeft dan één. Want in haar land mag een man meerdere vrouwen hebben. Verder wil ze een keer samen met mij op vakantie naar haar land. Daar zal ik logeren bij haar familie en kan ik zien hoe ze daar leven. Ontroerend als ze dat zegt, want ik denk dat het er nooit van zal komen.
Toch maak ik me verder geen zorgen om haar, zelfs wij kunnen nog wat van haar leren. Nee, zij komt er wel, mijn meisje!
Nawoord: intussen is “mijn meisje” ingeburgerd. Na anderhalf jaar haar taalcoach te zijn geweest, zijn we, in de zomer van 2011 gestopt. Inmiddels is ze aan het werk en hebben we nog steeds contact.
In 2012 is ze getrouwd en verhuisd naar Amsterdam. In augustus 2012 is haar dochtertje Nora geboren en binnenkort verwacht ze haar tweede kindje.

Ik word wakker door allerlei kabaal. Ik kan het geluid niet thuisbrengen maar ik ben behoorlijk geïrriteerd. Dit is onze laatste nacht in het Griekse Parga. Jammer, maar helaas. Met tegenzin hebben we de avond ervoor onze koffers gepakt, voor de terugreis naar Nederland. Morgenochtend om 06.45 uur moeten we, gepakt en gezakt, aan de weg staan waar een bus ons ophaalt om ons naar de luchthaven van Prevezà te brengen. Mijn man heeft het wekkeralarm op zijn mobiele telefoon ingeschakeld, zodat wij met een gerust hart kunnen gaan slapen. ‘We worden gewekt door een kraaiende haan’ zegt hij triomfantelijk!

Ik wil op mijn horloge kijken, dat op het nachtkastje ligt maar doordat ik nog niet goed wakker ben, kan ik niet zien hoe laat het is. Ik pak mijn horloge en loop ermee naar het toilet waar ik een lichtje aandoe. Het is pas 00.55 uur, een reden voor mij om me nog meer te ergeren. Waarom moet iemand, uitgerekend midden in de nacht, zo’n herrie maken? Ik ben woest maar intussen ook goed wakker. Ik zie door het kleine toiletraampje dat het buiten al licht wordt. ‘Hier klopt toch iets niet,’ zeg ik tegen mezelf. Ik kijk nogmaals op mijn horloge en schrik me wezenloos. Ik heb zojuist mijn horloge op zijn kop gehouden. Wat een schrik…. Het is 06.25 uur en niet 00.55! We hebben nog maar 20 minuten… Het vervelende geluid zijn de koffers van andere vakantiegangers die van de stenen trappen meegetrokken worden, naar beneden. Bij elke stap hoor je kadoeng, kadoeng, kadoeng.

Mijn man is intussen ook wakker en ik vertel hem wat er aan de hand is. Natuurlijk is hij de schuldige. Hij zou er toch voor zorgen dat de haan ons wakker zou maken?

In sneltreinvaart poetsen we onze tanden, spuiten te pas en te onpas overal deo en vertrekken, zonder douchen of ontbijt, richting bus. Onze koffers achter ons aansjorrend over de stenen trap van ons appartementencomplex. Kadoeng, kadoeng, kadoeng.

Al geruime tijd heb ik een leesbril en sinds enkele jaren ook een vertebril. Niets bijzonders eigenlijk, want dit lot treft veel mensen. Zo’n bril is natuurlijk reuze handig maar kan ook erg onhandig zijn. Mijn collectie telt momenteel vier brillen. Een lees- en een vertebril, een zonne-leesbril en een zonne-vertebril. Het klinkt erg deftig maar dat is het bij lange na niet. En dan vergeet ik nog minstens de drie ‘goedkope’ leesbrilletjes van de Hema of de Blokker te vermelden. Als ik ’s zomers ga wandelen, fietsen of autorijden is het eenvoudig. Ik zet de verte-zonnebril op en klaar is Kees. Ga ik daarna een winkel binnen, wordt de verte-zonnebril verruild voor de vertebril. In principe ook geen punt. Wil ik dan kijken wat iets kost, moet de vertebril af en gaat de leesbril op. Makkelijk om alles goed te kunnen lezen maar als ik de winkel verlaat moet de verte-zonnebril weer tevoorschijn getoverd worden. Een hele toestand met tig brillenkokers die in en uit mijn tas gehaald moeten worden. En wil ik snel in de etalage naar de naam of het prijskaartje van iets kijken, moet er weer in de tas gegraaid worden om vervolgens de leesbril weer op te zetten. U zult zich afvragen, waarom dit gedoe allemaal? Eerlijk gezegd denk ik dat natuurlijk ook. Ik zou een aantal brillen rond mijn nek kunnen hangen met aan elke bril een ander kleur koordje. Maar dat is niet handig als je een jas aanhebt. Ik krijg het idee dat de brillen dan klem komen te zitten, en dus vervormd worden. Ook de koordjes vervlechten zich bij het op- en afzetten van de brillen zodat ik daar op den duur weer mee in de knoop zit.. Best een gehannes allemaal. Maar waarom ga ik niet gewoon aan de multifocale bril, zodat alles wat makkelijker wordt en ik nog slechts twee brillen mee moet nemen in mijn handtas. Eén lees-verte-bril en één zonne-lees-zonne-vertebril. Of zou multifocaal bij zonnebrillen niet mogelijk zijn?

Ik heb deze stap nog niet gezet omdat ik af en toe andere mensen spreek die, jawel…..een multifocale bril hebben. Je kunt er mee lezen en mee in de verte kijken. Het klinkt gemakkelijk maar toch hoor ik vaker dat iemand bijna van de trap is gevallen omdat hij, tijdens het traplopen, niet het hoofd ver genoeg naar beneden hield, zodat de diepte van de treden anders overkwam dan in werkelijkheid. Bij een multifocale bril moet je, wil je ergens naar kijken, je hoofd helemaal mee draaien. Naar links, naar rechts, naar boven of beneden. Ook de stoeprand buiten, is zo’n gevaarlijk iets. Je stapt erop of eraf maar als je net iets teveel naar boven of naar beneden kijkt, lig je op je snufferd. En ik heb geen zin om ook nog eens mijn heup te breken, alleen al omdat ik even mijn hoofd niet goed heb gedraaid. En als ik dat hoor, lijkt me fietsen of autorijden ook niet zo’n pretje. Eigenlijk is het helemaal niet zo vanzelfsprekend allemaal, die brillen. We hebben ze nodig en gelukkig zijn ze er. Toch denk ik dat ik nog even doorga met mijn lees- en vertebril. Alhoewel….als ik eraan denk dat de zomer er weer aankomt en ik dan weer met vier brillen op stap moet, ga ik er toch nog eens goed over nadenken.

Juni 2013

Het was niet lekker, deed af en toe een beetje pijn. Ik merkte in eerste instantie niet dat hij daar zat en toen ik hem ontdekte vroeg ik me af hoe hij daar verzeild was geraakt.

Ik wilde hem niet, hij moest weg…hoe dan ook. Hoe zou ik het doen? Ik zou hem proberen te verjagen met een dun, scherp voorwerp bedacht ik want dat had ik al eerder gedaan.

Het ging niet erg gemakkelijk want ik kon er niet goed bij. Hijzelf merkte het niet, maar ik des te meer. Hij bleef gewoon waar hij was en had duidelijk geen zin om weg te gaan.

Ik moest harder optreden en mezelf een beetje pijnigen. Misschien dat hij het dan zou opgeven. Hardnekkig was hij wèl maar ik zou hem krijgen!

Uiteindelijk duurde het gevecht niet erg lang. Ik had gewonnen en hem verjaagd….de splinter uit mijn vinger!

Vandaag waren het er maar negen, gisteren dertien. Soms zijn het er twintig of meer. Vorig jaar waren het er bijvoorbeeld weleens twee keer twee en twintig, in totaal vier en veertig dus. Hoeveel het er worden, is moeilijk van tevoren te zeggen. Dat beslis je vaak op het moment zelf.

Alhoewel… je kan ook van tevoren een beetje uitrekenen hoeveel het er ongeveer gaan worden. Het zal altijd wel iets meer of iets minder zijn want het exacte aantal lijkt me vooraf toch moeilijk in te schatten.

Blijft altijd een verrassing dus. Daar komt nog bij dat, als het regent, de teller bij mij op nul blijft staan.

Want echt, ik ga geen kilometers fietsen in de regen!

Columns

Getallen
Vandaag waren het er maar negen, gisteren dertien. Soms zijn het er twintig of meer. Vorig jaar waren het er bijvoorbeeld weleens twee keer twee en twintig, in totaal vier en veertig dus. Hoeveel het er worden, is ....

Lees meer

Fotogedichten

Fotogedichten op matglans fotopapier in A3 of A4 formaat. Mooi voor in een fotolijst en heel bijzonder om kado te geven bij een speciale gelegenheid.

Lees meer

Contactgegevens

Telefoon: 0622755997
Email: 
Website: www.words4you.nl

Ooststraat 63
4421EA Kapelle